Cultuurgeschiedenis

Het Oosterdel gebied aan de oostkant van Broek op Langedijk is het laatste stukje onverkaveld gebied van het Geestmerambacht.

Uit cultuurhistorisch oogpunt ook het meest oorspronkelijke gebied. De akkertjes zijn uniek en in deze vorm niet verder meer aanwezig in ons land.
De eerste vermelding van het gebied stamt uit 1063. De oudste bekende benaming van Broek op Langedijk is Franlorebroech wat Vronerbroek betekent.
De ontginning van de gronden gebeurde vanaf de dijk die vanuit Vronen noordwaarts liep.
Het huidige Oosterdelgebied bestond in die jaren uit veengronden. De klassieke manier om veengebieden te ontginnen is ontwateren door middel van het graven van sloten. De hoofdsloten in het Oosterdelgebied lopen vanuit het westen naar het oosten en mondden uit in het water van Heerhugowaard.
Het unieke van dit landschap is dat het praktisch in dezelfde vorm als de beginvorm aanwezig is: opgebaggerde veenwoudgronden. Uitermate geschikt voor het verbouwen van tuinbouwprodukten.
 
Natuurlijk zijn er wel wat veranderingen gebeurd in de loop van de tijd. Baggeren of slikken was de manier om het land op te hogen en vruchtbaar te maken. Zo werden lager gelegen groetgronden met sloten doorgraven om het land op te hogen. Deze gronden werden tot de beste tuinbouwgronden van Nederland gerekend.
Een andere zaak die zelden of nooit belicht wordt is het cultuurhistorische aspect.
Het is algemeen bekend dat de teelt en ontwikkeling van de tuinbouw zich vanaf de vroege Middeleeuwen altijd concentreerde rondom grote steden en bij kloosters.
Het is uniek en uitzonderlijk dat een streek zonder rechtstreekse binding met een stad of instelling zelfstandig tuinbouwprodukten voor de vrije markt teelde. Markttechnisch had je een achterstand en bovendien was je volkomen afhankelijk van derden voor het vervoer en verkoop van je producten.
Dit is ook de reden dat er van oudsher in dit gebied stapelproducten werden geteeld. Vollegrondsprodukten zoals kool, uien en aardappelen. Producten die langer houdbaar en geschikt waren voor langer vervoer.
Het gevolg van dit spanningsveld van verkoop en vervoer is het ontstaan van het veilingwezen.
 
De teelt van vroege aardappelen in het Oosterdelgebied.
Tegenwoordig is het vanzelfsprekend dat wij als consument  "jaarrond " kunnen beschikken over een aanbod van aardappelen van uitstekende kwaliteit. Een overvloedig aanbod uit alle windstreken. Meestal voor billijke prijzen .
 
Hoe anders was dat in de eerste helft van de vorige eeuw. Ieder jaar in het voorjaar als de oude oogst was geruimd zag men reikhalzend uit naar de nieuwe oogst van verse aardappelen.
 
Op verschillende plaatsen in ons land, zoals het Westland, De Streek en aan de Langedijk werd de teelt van vroege aardappelen op grote schaal beoefend.
Het allervroegste gebied van Langedijk was het tegenwoordige Oosterdelgebied. Een lichte zavelgrond die zich uitstekend leende voor de teelt van aardappelen.
Primeur aardappelen betekende over het algemeen hoge prijzen aan de veiling maar men moest daar als tuinder veel moeite voor doen.
 
De tuinder begon in september al met de eerste voorbereidingen. Het geselecteerde pootgoed voor de komende teelt werd in houten bakjes gelegd in niet meer dan twee of drie lagen boven elkaar  De bakjes werden geplaatst in een ruimte, vorstvrij en met voldoende lichtval. Meestal werd hier een boetzolder of dars voor gebruikt.
 
Het hele proces van bewaring was er op gericht om de aardappelen in het voorjaar met de eerste spruit te planten. Een aardappel met een eerste spruit gaat n.l. sneller tot knolvorming over en de tijd van oogsten kon daardoor aanzienlijk worden vervroegd .
 
Als de aardappelen waren geplant was de tuinder voor zijn primeurteelt grotendeels afhankelijk van gunstige of ongunstige weersinvloeden.
Lage voorjaarstemperaturen betekent een trage groei en daardoor een late oogsttijd met vaak lagere prijzen. Ook het gevaar van nachtvorsten was altijd aanwezig.
In het Oosterdelgebied was het gevaar van nachtvorsten minder. De overvloedige aanwezigheid van water zorgt voor vermindering van temperatuurdalingen.
 
Ook een middel om de aardappels beschutting te geven tegen het gure voorjaarsweer was het plaatsen van rieten heiningen of hekken. Vooral in het Oosterdelgebied was dit eerder regel dan uitzondering. Het plaatsen was tamelijk eenvoudig. Op het talud van de akker werd aan de west en de noordwestkant een greppel gegraven waarin om de twee meter een zgn. rietenhekpaal in de grond werd geslagen. Tussen de palen werd riet aangebracht dat met touwverbindingen op zijn plaats werd gehouden. Na het oogsten van de aardappelen werd het hek verwijderd en opgeslagen voor het volgende jaar.
 
De primeurteelt bracht buiten prijstechnische voordelen ook mee dat de aardappelen al waren gerooid voordat de aardappelziekte zijn kop opstak. Geen zieke aardappelen en door het ontbreken van gewasbescherming een bijna biologische teelt. Ook mocht men van de Plantenziektekundige Dienst elk jaar op hetzelfde perceel aardappelen telen mits ze voor de aangegeven rooidatum waren geruimd.

 terug